Linker- en rechterhersenhelft: hoe samenwerking leren verbetert
Onze hersenen hebben veel plooien. Hierdoor is het oppervlak heel groot. Geplooid zijn hersenen compacter en kunnen er veel zenuwcellen in. Een mens heeft naar schatting tussen de 80 en 100 miljard zenuwcellen, ook wel neuronen genoemd.
Zenuwcellen vormen de bouwstenen van de hersenen. Elke zenuwcel heeft uitlopers (dendrieten en axonen) waarmee ze informatie via de zintuigen opvangen en die met elektrische en chemische signalen door het lichaam sturen. Hierdoor kunnen we denken, voelen, bewegen en reageren.
Er zijn drie soorten zenuwcellen:
- Sensorische zenuwcellen geleiden impulsen van de zintuigen naar het centrale zenuwstelsel (aanraking, pijn, temperatuur, zicht, geluid).
- Motorische zenuwcellen geleiden impulsen van het centrale zenuwstelsel naar de spieren of klieren (lopen, praten, bewegen, ademhaling, hartslag).
- Schakelzenuwcellen geleiden impulsen tussen de neuronen (reflexen, leren, besluiten nemen).
Linker- en rechterhersenhelft
De grote hersenen (cerebrum) zijn het grootste deel van de hersenen. Ze bestaan uit twee helften: de linker- en de rechterhersenhelft. Daartussen zit de hersenbalk (corpus callosum). Dat is een dikke bundel zenuwvezels die de zenuwcellen in beide hersenhelften met elkaar verbindt. Zo kunnen de hersenhelften contact maken en samenwerken. Dat is belangrijk.
Want elke hersenhelft heeft specialisaties. Zo bestuurt de linkerhersenhelft alles aan de rechterkant van het lichaam. De rechterhersenhelft bestuurt alles aan de linkerkant van het lichaam. De beide hersenhelften staan constant met elkaar in contact bij alles wat je doet. Hoe beter ze samenwerken, hoe beter je beweegt, denk, voelt, hoort, ruikt, ziet, proeft, spreekt, voelt en dus ook leert. Dat samenwerken gaat niet vanzelf.
Je hersenhelften moeten leren samenwerken. Dat proces noem je lateralisatie. Baby’s oefenen dit al door te kruipen: door de linkerarm en rechterknie tegelijk te bewegen (en andersom) train je het kruisen van de middenlijn van je lichaam. Dat is essentieel om soepel te bewegen (motoriek). Maar ook om goed te kijken en te luisteren… en dus te leren.
Lezen doe je met je ogen. Je linkeroog registreert het begin van de regel. Je rechteroog neemt het halverwege de regel over tot het eind van de regel, waarna je linkeroog het in één keer weer moet overnemen op een nieuwe regel. Als dat (nog) niet vloeiend lukt, helpt bijwijzen met je vinger om geen regels over te slaan of te herhalen.

De linkerhersenhelft is gespecialiseerd in talige vaardigheden: spreken, lezen, schrijven, op volgorde werken. Eigenlijk alles wat je op school leert. De linkerhersenhelft trekt conclusies, nadat eerst alles netjes op volgorde is overdacht. Het één volgt uit het ander en zo kom je tot een antwoord. Alles waar geen speld tussen te krijgen is. Best saai!
De rechterhersenhelft is veel leuker! Die is beeldend, snel en fantasierijk! Daarmee schieten de ideeën door je hoofd. Dat gaat razendsnel. Je weet soms niet eens hoe je aan bepaalde antwoorden of gedachten komt. Dat ben je je niet bewust geweest. Het enige dat je weet is het resultaat!
Beide hersenhelften hebben elkaar nodig! Links kijkt naar details (onderdelen) en rechts ziet meer het geheel (overzicht). Om dit goed te onthouden, zou je kunnen stellen dat:
De linkerhersenhelft alle bomen ziet, maar niet het bos.
De rechterhersenhelft het bos ziet, maar niet de bomen.
Gebruik je beide hersenhelften! Een goede samenwerking tussen de linker- en de rechterhersenhelft is dus noodzakelijk voor je ontwikkeling. Binnen de lessen van de LEREN LEREN Methode besteden we veel aandacht aan het inzetten van alle breintalenten bij het leren met bijbehorende technieken.
Wat doe jij liever: lesstof verbeelden door te tekenen, of samenvatten in taal? Zit jij liever stil op een stoel boven je boek om te leren, of leer je liever als je beweegt?












